
In gesprek met Krijn Tanis
AlgemeenRedacteur Nick Ehbel heeft een gesprek met een timmerman en natuurbeschermer uit Oudorp
Vertel iets over jezelf
Ik ben geboren en getogen in Ouddorp onder het Flauwe Werk. Ik was een jaar oud toen de Ramp was in 1953. Heb er dus weinig van gemerkt, wel veel over gehoord en over gelezen. Toen ik wat ouder was, ging ik na een storm strandjutten. In die tijd kwam er nogal eens allerlei timmerhout aan en dat sleepte ik allemaal naar huis. Daar timmerde ik er allerlei hokken van voor duiven, konijnen. Soms verkocht ik het aan mijn opa om het later weer terug te halen.
In de tijd verzamelde ik ook allerlei soorten flessen voor mijn flessenmuseum. Die vond ik op het strand, had er een paar honderd die ik buiten op een getimmerde tafel had staan. Vanaf die tijd wist ik wat ik later wilde worden; timmerman. Dat heb ik met heel veel plezier gedaan en interesseert mij nog steeds. Vooral restauratiewerk vond ik het leukst om te doen het kon niet oud genoeg zijn.
Toen ik een jaar of zestien was, kreeg ik steeds meer aandacht voor de natuur. Op een gegeven moment ben ik spontaan een nestkastenproject gestart op Goeree. Dat kwam deels omdat ze de bunkers sloopten waar in de schachten ervan nog heel wat holenbroeders broedden. Ik heb toen aan de terrein beherende instantie toestemming gevraagd om nestkasten te plaatsen, heb er toen zo’n honderd nestkasten opgehangen. Die ging ik in de broedtijd controleren en daar heb ik nog een map van: zoveel eieren, zoveel uitgevlogen, met vermelding van soort.
Daarna kreeg ik eigenlijk steeds bredere belangstelling. Vooral planten en vogels gingen me interesseren. Ik was wel heel beperkt in m‘n materiaal. Ik had geen verrekijker, geen vogelboek. Mijn schoonvader las ‘Onze vogels’, een tijdschrift over volièrevogels en midden in dat blad stond altijd een artikel over wilde vogels. Dat artikel knipte ik dan uit en deed dat in mijn plakboek. Zo maakte ik mijn eerste determinatiegids van vogels. Een kijker had ik niet. Vlak bij ons in de buurt woonde iemand van SBB die ik goed kende. Met hem mocht ik wel eens mee vogels tellen op de Grevelingen met de Zonnemaire en hij had nog een kijker voor me. Dat was een hele vooruitgang, want met een veldkijker zie je veel meer.
Voor vogel herkenning op zang was Siegfried Woldhek een eyeopener voor mij. Hij inventariseerde de kop van Goeree in die tijd en ik mocht met hem mee. Daar hoorde ik zoveel verschillende soorten dat ik er gelijk aan verslaafd was. ik kocht singels en cassettebandjes waar vogelzang op stonden. Zo leerde ik samen met mijn vriend Gerard Lokker de vogels op naam te brengen. We maakten heel vroeg in de morgen verschillende vastgestelde routes over de kop van Goeree. En noteerden dan alle vogels die bijvoorbeeld door hun zang een broedterritorium hadden. Op een bepaalde route hoorde je bijvoorbeeld dertig Winterkoningen, vijf Groenlingen, vijftien grasmussen enz. Die lijsten heb ik nog steeds, dat was in 1976.
Die interesse groeide en de belangstelling voor wilde flora werd steeds groter. We gingen verschillende gebieden inventariseren op de aanwezige flora. Ik had vrienden uit Schouwen, vooral ecoloog John Beijersbergen, die zat in de studentenbunker op de Kwade Hoek. Hij deed onderzoek naar Grote Sterns. Hem leerde ik kennen in de Strandtent ‘’De Zeester”. We kennen elkaar nu al 55 jaar, veel kennis over de duinen met bijbehorende flora leerde ik van hem
Later kwam interesse voor vlinders erbij. In de jaren ’80 was er een land dekkende inventarisatie over de verspreiding van de Nederlandse dagvlinders. Ik heb toen met anderen voor de vlinderstichting materiaal voor de vlinderatlas verzameld. Goeree is in blokken verdeeld van een kilometer bij een kilometer. We hebben toen geprobeerd heel Goeree te inventariseren, dus hoe die verspreiding van al die soorten vlinders er uitzag.
Eind jaren 70 was er nog helemaal geen vereniging die de belangen van de natuur verdedigde. Wel was er de Stichting Natuur- en Landschapsbescherming Goeree-Overflakkee die vooral prioriteit gaf aan dorpsgezichten. Met hulp van John Beijersbergen en Frans Jansen, de toenmalige voorzitter van de natuur- en vogelwacht op Schouwen-Duiveland, werd de vogelwerkgroep Goeree opgericht. Over de oprichting van de vogelwerkgroep Goeree in 1978 heeft een bericht in de krant gestaan, waarop een spontane reactie vanuit Oostflakkee door Jos Hendriks en Johan Everaars kwam. Na een aantal gesprekken leek het toch beter een eilandelijke vereniging op te richten.
Een jaar nadien was Natuur en Landschapsbescherming Goeree-Overflakkee of te wel NLGO een feit. Er was in die tijd vanwege allerlei aantastingen van de natuur behoefte aan een groep die de natuur verdedigde. In heel Nederland verrezen dit soort groepen in die tijd.
De aanleg van de N57 door de inlagen was een flinke aanslag op de natuur. Wij hadden het graag aan de polderkant gehad. Ook duinverzwaringen vonden plaats vanaf het havenhoofd tot bijna bij de vuurtoren, alle in de bestaande duinen. Ook recreatieve aantastingen (nog steeds) deden een duit in het zakje, zoals de aanleg van een jachthaven in de val is gelukkig niet doorgegaan, ook zijn de recreatieve ontwikkeling in de Preekhilpolder en Markenje niet doorgegaan. Wel ging de aanleg van een bungalowpark van 30ha door in het kwetsbare zandwallen gebied.
Inmiddels bestaat NLGO al weer vijfenveertig jaar, Die vereniging is inmiddels behoorlijk volwassen geworden met ruim 500 leden. De contacten zijn divers: gemeente, waterschap, provincie, landelijke natuurorganisaties, maar ook boeren. Hoewel het vroeger vaak vechten tegen de bierkaai was, vinden we nu steeds meer gehoor.
Ga nog eens terug naar je jeugd
Een andere hobby was vissen dat begon toen ik nog in het basis onderwijs zat en duurde ongeveer tot mijn 18e. In het begin viste ik met een fles als hengel: je wond het draad om het eind van de fles, je had er dan een tuigje van 3 haken en een stukje lood aanzitten. Dat kon je dan uit gooien maar ojee als al het draad er gelijk afging, dan had je een probleem.
Wat later maakte ik zelf een werphengel van een lange bamboe stok van 4 meter. Deze kon je bij Keesie Bok kopen. Die zaagde je aan drie stukken die je dan voorzag van hulzen zodat hij weer op lengte gemaakt kon worden. Je maakte er ogen aan waar je de molen aan vast kon zetten en dan had je een heuse werphengel. Weer later kocht je een complete hengel van fiber waar je goed ver mee kon gooien. Vaak viste ik op de strekdammen nabij het Flaauwe Werk maar ook vaak in de toen nog open Grevelingen. Aas zoals pieren en zagers ging je zelf steken op het slik bij de Zuiddijk.
Verder moest ik in die jaren ook veel mee om te helpen op het land. Mijn vader was boer op een gemengd bedrijf samen met nog twee broers. Daar kon altijd wel een hulpje gebruikt worden. Zoals koeien voeren, kippeneieren rapen, witlof wieden en dunnen, kersen, enz. Er was het hele jaar wel wat te doen en ik was dan ook heel blij dat ik voor een ander beroep had gekozen. Achteraf had ik het toch ook weer niet willen missen.
Welke vogel zou je het liefst zien terugkeren?
De Grauwe Klauwier! (Zie de foto van Frank Droge) We hadden tot 1980 op de Kop vier broedparen, binnen twee jaar waren ze weg. We hadden een paar in de Preekhilpolder, Noordzeepark, Kleistee en de Marend. Elk jaar keerden ze op exact dezelfde plaats weer terug, dus de controle was daardoor gemakkelijk. Het is onduidelijk waardoor er in zo’n korte tijd vier paar verdwenen. Het zou voedselgebrek geweest kunnen zijn. De grauwe klauwieren namen in Nederland sterk af, wel bleven er in het Baggerveen nog verscheidene broeden. Thans lijkt het wat beter te gaan en rukken ze voorzichtig op in westelijke richting. Tijdens de voor en najaarstrek doen enkele exemplaren ons eiland aan.
Wordt vervolgd
















