
Landarbeidersstaking Oost-Flakkee week 5
AlgemeenHonderd jaar geleden speelde op oostelijk Flakkee een heftig arbeidsconflict over de derde loonsverlaging op rij. In de vierde week moesten de landarbeiders van Ooltgensplaat buigen. In Achthuizen bemiddelde meneer pastoor tussen de katholieke boeren en arbeiders. Rond Oude Tonge verdiepte zich de strijd tegen de boeren, Brabantse stakingsbrekers en marechaussee. In deze titanenstrijd waren boer Schouwen, landarbeider Gebraad en vakbondsbestuurder Portegies opponenten.
De industriële revolutie ging gepaard met ongebreideld liberalisme. Ieder had volledige vrijheid in het economisch verkeer en de staat voorzag geen eigen rol. Het verenigen van belangen in vakbonden werd bemoeilijkt. Onder grote groepen, die niets anders hadden dan hun arbeid, kwam het socialistisch gedachtengoed van Marx en Lenin in zwang. Dat het menens was, getuigt de Russische revolutie van 1917. Ondanks de armoe weet men in Ooltgensplaat nog wekelijks 11 gulden te vergaren om de Russische kameraden te steunen.
De vakbond doet in die jaren aan ledenwerving door in de winterperiode het land door te trekken en amusementsavonden te organiseren. Dat het gezag daar niet veel mee op heeft, getuigt een deelneemster. ‘Op de terugweg van zo’n avondje werden we aangehouden en doorzocht, niet overtuigd dat het attribuut in een stuk over de wereldvrede inderdaad een houten geweer was’. Op openlijk lidmaatschap van een landarbeidersvereniging kon ontslag volgen. Er ontstond sociale wetgeving ter bescherming van zwakkeren (verbod op kinderarbeid in 1874 en leerplicht in 1901). Landarbeidersgezinnen kwamen daar bekaaid van af; uitzonderingen werden gemaakt voor werken op het land. Hetzelfde gold in 1969 bij de invoering van het minimumloon. De boeren in zuid-west Nederland werden daarvan vrijgesteld. Die stelde verenigingen in staat om gronden aan te kopen en onder de leden in kleine percelen te verpachten. De procedure was omslachtig, boeren en gemeenten wensten zelden medewerking te verlenen.
Menigmaal werd aan prijsopdrijving gedaan. Volkstuinverenigingen ‘klein grondbezit’ in Middelharnis en Sommelsdijk hebben daar hun herkomst. Even weinig succesvol was de woningwet van 1901. Leuk opgeschreven maar wie bouwt? Wibout! Alleen in de steden kwam krotopruiming op gang. Hier woonden hele gezinnen in ‘zodenhutten’ de plaatselijke uitvoering van de beruchte Drentse plaggenhut. De landarbeiderswet maakte mogelijk, met 10% eigen geld, een huis te laten bouwen. Maar de rente was bijna 6%, de looptijd van 30 jaar oversteeg de levensverwachting en het maximale bedrag van 4000 gulden te weinig. Toch staan een aantal landarbeidershuisjes pontificaal in beeld; langs de provinciale weg vanaf Nieuwe Tonge links voor de rotonde.
- Door Frank/Janine Boerboom















