
Reportage: de landarbeidersstaking van 1923, week 2
AlgemeenIn Zeeland wordt anders geboerd dan elders. De grote bedrijven hebben middeleeuwse oorsprong. Hier was een zompig gebied waar grootfamilies hun kostje bij elkaar scharrelden door kuddes laten grazen en turf en zout te winnen. ‘s Winters zochten die hoger onderkomen. De inpoldering gebeurde door de kloosterorde van Cistercienzers, destijds de enige organisatie die zo’n onderneming klaren kon. Het werk werd gedaan door (leke-)broeders en ingevaren krachten. Zeeland werd zo graanschuur van Europa.
Tijdens de reformatie en beeldenstorm werd alles onteigend en, in grote percelen, opnieuw uitgegeven; wel zo overzichtelijk. Veeteelt om te bemesten en een deel braak laten liggen; zo werd hier tot diep in de negentiende eeuw, traditioneel, geboerd. Met inwonend personeel dat jaarrond aan het werk gehouden werd; geen vetpot, knap saai, patriarchale verhoudingen maar je kostje was gekocht.
De industriele revolutie leidde tot verandering; de uitvinding van de stoommachine bracht grote fabrieken, met arbeiders die gevoed moest worden. Stoomvaart maakte wereldhandel mogelijk. De landbouw rationaliseerde met wisselteelt en kunstmest, er ontstonden piektijden en de opbrengst raakte onderhevig aan conjunctuur. Het, langer houdbare, graan werd te kostbaar geacht en men ging over op aardappels als volksvoedsel. Toen dat vatbaar bleek voor het kwaad, fydoftora, en oogsten verloren gingen, ontstond hongersnood en raakte de bevolking op drift.
Er onstonden twee typen landarbeiders; vaste knechten en los werkvolk. Vast werk, vaste armoe; een schamel woninkje bij de boerderij, 24 uur per dag beschikbaar en een werkweek van 13 dagen, eens per 2 weken ‘s zondags vrij. Een boer zette doodleuk in het voorjaar jouw woning te huur. Wilde je gezin niet dakloos worden, had je zijn loonbod maar te accepteren. Het was de tijd van ongebreideld liberalisme, collectiviteit was taboe. Dat de arbeider daarbij het onderspit dolf, ervoeren de polderjongens van Bath; toen ze zich beklaagden werd het leger ingezet om hun slaapketen af te breken.
In de 20e eeuw begonnen arbeiders zich te verenigen. Eerst lokaal maar bij staking had je dan onvoldoende achter je om het uit te zingen. Langs de verzuiling van die tijd was er een christelijke, katholieke en socialistische bond; ‘de modernen’. Die laatste had het meeste haar op de tanden. De afdeling Oude Tonge werd door Cees Gebraad in 1919 opgericht maar Sommelsdijk was eerder. Toen de 111 leden daar in 1922 het werk neerlegden, gooiden de boeren het al na drie dagen op een akkoordje. Bij de voorgestelde loonsverlaging van ‘23 was er dus snel onderhandelingsresultaat. Die van Den Bommel waren aangesloten bij de christelijke bond. Nadat dominee ‘s zondags verkondigde dat staken tegen de wil van god was, werd het werk maandags weer hervat.















