
Het ondergronds orkest – donderdag 28 mei
Actueel 57 keer gelezenIedereen die wel eens in Parijs naar de duistere gangen van de metro is afgedaald, zal de situatie herkennen: straatmuzikanten die bij de ene halte instappen, een deuntje of een liedje ten gehore brengen, met de pet rondgaan en bij de volgende halte uitstappen om in een ander metrostel hun geluk te beproeven.
Ook in de lange ondergrondse gangen van de Métropolitain kom je ze tegen, violisten, gitaristen, harpisten enz. voor wie het maken van muziek een schamele bron van inkomsten is om in het levensonderhoud te voorzien.
Ruim 25 jaar geleden maakte de documentairemaakster Heddy Honigmann een ontroerende documentaire over straatmuzikanten die clandestien in de Parijse metro hun geld verdienen.| Het ondergronds orkest schetst portretten van een tiental muzikanten uit alle windstreken: een Zaïrese popmuzikant en dichter, een Venezolaanse harpist, een Roemeense cellist met een gitaarspelende zoon, een violist uit Sarajevo, een Algerijn met een kamantcha (snaarinstrument), een Malinese zangeres, een Argentijnse pianist, een Vietnamese zangeres en sitarspeler en een Roemeens echtpaar, plus zoon en neef, met accordeon en cimbaal.
Het blijken vaak uitstekende musici te zijn, ontheemde mensen, die vertellen over hun (over)leven en hun zoektocht naar een beter bestaan. Voor velen is het maken van muziek niet alleen het enige middel om in hun levensonderhoud te voorzien, maar het geeft ook houvast in de nieuwe, vaak vijandige wereld. Ze vertellen over het land dat ze zijn ontvlucht, over hun dromen, over hun zoektocht naar een beter leven. We volgen ze ook tot in hun woningen in het bovengrondse Parijs, vaak kleine achterkamertjes en sjofele pensions. Het beeld dat uit de documentaire opdoemt, is dat van vluchtelingen die door oorlogsgeweld of armoede op drift zijn geslagen, maar die ondanks hun ellende dankzij hun muziek overleven.
Dat Honigmann zich het lot van ballingen aantrekt, is gezien haar eigen leven niet verwonderlijk. Haar opa, een Poolse jood, ontvluchtte aan het eind van de jaren dertig Hitler-Duitsland. Samen met zijn vrouw en twee dochters emigreerde hij naar Peru. Daar ontmoette haar moeder na de oorlog een Oostenrijker, die een concentratiekamp had overleefd. Verliefdheid, een huwelijk en twee dochters waren het gevolg. De kinderen werden opgevoed met het idee dat in de gang altijd een vluchtkoffer klaar moest staan. De documentairemaakster vertelde: “Ik voelde mij in Peru als kind al een balling, omdat ik wist dat ik daar eigenlijk niet thuishoorde”. Met haar documentaire maakte ze een fraaie reportage van een verschijnsel waar dagelijks duizenden mensen zonder verdere gedachten langslopen of hoogstens een muntstuk aan besteden. In de nauwe metrogangen kun je immers minder gemakkelijk wegkijken dan buiten op straat. Dat muzikanten de metrotrap oplopen naar het daglicht, is een mooi, veelbetekenend beeld.
Deze aankondiging is voorlopig de laatste. Na het afgelopen seizoen het 50-jarig jubileum te hebben gevierd, gaat het Filmhuis in september weer verder met de filmvertoningen















